‘Beste dichter,

Augustus 2010, de zon ging onder en de lucht was gekleurd met verschillende pasteltinten blauw.
Ik liep door mijn straat op weg naar de supermarkt en werd plotseling overweldigd door de tonen van 'Canto Ostinato'.
Vanaf de Domtoren in Utrecht bleek 'Canto Ostinato' gespeeld te worden, wat als een zee aan onvoorspelbare klanken door de straten van Utrecht echode. 
Het schaars blauwe licht en de tonen van dit prachtige stuk maakte de stad ten prooi aan een ongekende magie, alsof de saaiheid, de tragiek van het alledaagse voor een moment werd verheven naar een soort wonder.
Ik bleef enige tijd stil staan om dit mystieke tafereel in me op te nemen en kwam tot de conclusie dat dit de meest perfecte context was waarin ik 'Canto Ostinato' ooit gehoord heb. Eveneens was dit de meest perfecte context waarin men een wandeling naar de supermarkt kan ervaren. Enfin...’

Zo begon ik mijn brief aan de componist Simeon ten Holt.
Het was een lyrische brief waarin ik mijn bewondering over zijn muziek trachtte te verwoorden en vroeg of ik hem eens zou mogen fotograferen.
In eerste instantie was hij afwijzend. Dit was echter het begin van een intense briefwisseling waarbij het contact persoonlijker werd en hij me na 6 maanden uitnodigde in zijn huis in Bergen.

Simeon ten Holt: een componist, een hemelbestormer, een intellectueel, een Bourgondiër, een ras kunstenaar, maar bovenal een integer en liefhebbend mens.
Zijn blik verraadde een delicate geest, een fijngevoeligheid en een bepaalde onschuld als die van een kind, kwetsbaar en ontvankelijk.
Tegelijkertijd komt hij me rigide, halsstarrig en doortastend voor. Net als zijn muziek.
Zijn ouderdom tekent de dagen. Dagen die hij spendeert aan een tafel voor het raam, een tafel waar vele gedachten bijna voelbaar zijn, waar orde heerst.
Spelen doet hij niet meer, alles wat gezegd moest worden was gezegd. Op zijn vleugel staan vazen met bloemen, foto’s, dierbare herinneringen, de toetsen zijn stoffig.

Een leven lang hield hij een dagboek bij, zo’n 40 cahiers die op jaartal geordend staan en een groot deel van zijn boekenkast in beslag nemen.
In zijn boek ‘Het woud en de citadel’ schrijft hij: ‘Er zijn twee dingen karakteristiek voor mijn bestaan, het dagboekschrijven en het notenschrijven.
De dagboekschrijver is degene die alle zaken opschrijft en verwerkt tot vruchtbare aarde. En de notenschrijver verrijst uit die vruchtbare aarde. Van compost naar compositie.’

Gedurende een jaar fotografeerde ik hem aan zijn tafel en de beelden die ik maakte zijn gecombineerd met fragmenten uit zijn dagboek.

 

Utrecht, 2011